Header Image - TEACHER LAB

Leer je studenten feedback ontvangen.

by teachlabadmin

Wat is het?

Feedback krijgen is een kans voor een student.

Maar feedback ontvangen is niet altijd evident. Onzekerheid speelt vaak een rol. Studenten hebben de neiging om kritische kanttekeningen of feedback te interpreteren als een aanval op hun persoon en voelen zich hierdoor soms afgewezen of gaan in de verdediging. Hierdoor missen ze belangrijke leerkansen.

Waarom belangrijk?

Effectieve feedback blijft plakken wanneer er aan een aantal voorwaarden is voldaan. Een belangrijk aspect echter is het voorbereiden van studenten op het ontvangen van feedback.

Hoe doen?

Volgende tips kan je geven aan je studenten:

(1) Luister actief

Schiet niet onmiddellijk in de verdediging maar probeer goed te luisteren. Laat verbaal en non-verbaal ook zien dat je aandacht hebt voor de feedback door een open houding (oogcontact, rechte houding), door het maken van aantekeningen, knikken…

(2) Vat samen en vraag eventueel om toelichting

Check of je de boodschap goed hebt begrepen door actief te luisteren en samen te vatten in je eigen woorden. Is er iets niet duidelijk, vat het dan samen en vraag naar verduidelijking.

(3) Toon waardering

Bekijk feedback als een kans om te leren i.p.v. een bedreiging. Bedank dus je docent/medestudent voor de informatie.

(4) Denk erover na

Denk na over wat je met de feedback gaat doen en koppel terug. Vind je de opmerkingen terecht of onterecht? Herken je je in de feedback? Op welke manier ga je dit aanpakken?

(5) Doe iets met de feedback

Laat je docent/medestudent weten wat je met de feedback zal doen, probeer dit te concretiseren in een aantal actiepunten. Schrijf de feedback op zo heb je ze nog nadien.

In Devine werd dit sjabloon ontwikkeld voor studenten. Dit sjabloon moet studenten activeren om (a) zich voor te bereiden op de feedback en (b) de gekregen feedback te verwerken.

Wat denken studenten zelf over goede feedback?

Activerend feedbackgesprek na een evaluatie

by teachlabadmin

Wat is het?

Een feedbackgesprek vindt traditioneel plaats na een beoordeling (een examen of een opdracht). Dit gesprek is de uitgelezen kans voor een student om informatie te krijgen over de volgende drie aspecten:

(1) Wat waren de verwachtingen?

(2) Hoe heb ik het gedaan t.a.v. die verwachtingen?

(3) Op welke manier kan ik vooruit?

Waarom is het belangrijk?

Tijdens zo’n feedbackgesprek ben jij als docent het meest aan het woord. Jij hebt namelijk de correcties gedaan en je informeert de studenten over hun prestaties.

Feedback blijft echter meer plakken wanneer je studenten uitdaagt om zelf na te denken én wanneer er dialoog aanwezig is. Door de student actief te betrekken bij de feedback krijg je concrete handvaten om een feedbackgesprek in twee richtingen te voeren.

Een evenwichtige evaluatie: Een toetsplan opmaken

by teachlabadmin

 Wat is het?

Een toetsplan beschrijft hoe een beoordeling wordt opgebouwd. Het plan beschrijft WAT je gaat toetsen, op WELKE manier en HOE ZWAAR de diverse aspecten zullen doorwegen. Een toetsplan bevat dus nog geen concrete uitwerking maar is ondersteunend om je beoordeling vorm te geven.

Waarom belangrijk?

Als lector heb je een planning af te werken met je studenten. Je hebt duidelijke leerdoelen voor ogen en in functie hiervan wil je bepaalde onderwerpen behandelen. Je zal op sommige onderwerpen meer de klemtoon leggen dan op andere omdat ze moeilijker zijn of omdat ze centraler staan. Je wil die accenten ook terugzien in je toetsing. Hiervoor kan je een toetsplan opmaken, een toetsplan is een concreet instrument om de validiteit van je toetsing te faciliteren. (Validiteit : meet je hetgeen je wilt meten?).

Je kan op diverse manieren een toetsplan opmaken. Sommige krabbelen dit op een notitieblaadje, terwijl anderen een uiterst gedetailleerde Excel opmaken tot op het niveau van individuele hoofdstukken. Soms verwacht het toetsbeleid in je opleiding dat je een toetsplan opmaakt volgens een bepaald sjabloon. Het is dus belangrijk dat je dit eerst even aftoetst.

Hoe doen?

Wij voorzien een vrijblijvend sjabloon. Dit sjabloon lijkt ons een werkbaar instrument om na te denken over de drie centrale vragen:

(1) Wat ga je toetsen?

(2) Op welke manier ga je dit toetsen?

(3) Hoe zwaar zullen de diverse aspecten doorwegen?

Meer weten?

Een toetsplan is de eerste stap, misschien zal je hieruit afleiden dat je zal werken met een schriftelijk examen. Meer tips rond het opstellen van een schriftelijk examen vind je hier.

Bronnen

Dochy, F. & Nickmans, G (2005). Competentiegericht opleiden en toetsen. Theorie en praktijk van flexibel leren. Utrecht: Uitgeverij Lemma.

Van Berkel, H. & Bax, A. (2006). Toetsen in het hoger onderwijs. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Van Dijk, W & Verheul I. (2009). De verleiding weerstaan. Over de noodzaak van het doordacht ontwerpen van opleidingen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Wijnants, L., Hermans, I. & Vandput, L. (2011). Innovatief evalueren in het hoger onderwijs. Tielt: Uitgeverij Lannoo Campus.

Meet wat je moet meten: open vragen opstellen

by teachlabadmin

Wat is het en waarom belangrijk?

Een belangrijk kenmerk van kwaliteitsvol toetsen is de manier waarop de opdracht of het examen wordt opgesteld. Denk bv. aan moeilijke zinsconstructies of dubbelzinnige vragen die misschien eerder het taalbegrip van een student meten dan wel zijn of haar inhoudelijke kennis/vaardigheden of competenties. Met een aantal simpele redactietips kan je jouw vraagstelling verscherpen en dus de betrouwbaarheid van je toets/opdracht verhogen.

Algemene tips

  • Stel een positieve vraag. Verwoord vragen op een positieve manier, om een ontkennende vraag te beantwoorden moeten studenten een taaltruc toepassen. Ze moeten namelijk de ‘negatieve’ vraag eerst positief maken en dit kan verwarrend zijn.

Voorbeeld: Geef 2 argumenten waarom meisjes doorgaans geen beter leven hadden dan jongens in de middeleeuwen.

Beter: Geef 2 argumenten waarom jongens doorgaans een beter leven hadden dan meisjes in de middeleeuwen. Of Geef 2 argumenten waarom meisjes doorgaans een slechter leven hadden dan jongens inde middeleeuwen.

  • Vermijd vage termen zoals altijd, nooit, vaak, een paar… Deze bieden stof voor discussie en leiden vaak tot onzekerheid bij de student. Zorg voor duidelijke en concrete termen die je verwachtingen illustreren.

Voorbeeld: Geef een paar argumenten waarom jongens altijd een beter leven hadden dan meisjes in de middeleeuwen.

Beter: Geef 2 argumenten waarom jongens doorgaans een beter leven hadden dan meisjes in de middeleeuwen.

  • Wordt de meest directe instructie gebruikt? (geef, beschrijf, som op, verklaar, teken, bereken, …)

Voorbeeld: Kan je 2 argumenten geven waarom jongens doorgaans een beter leven hadden dan meisjes in de middeleeuwen?

Beter: Geef 2 argumenten waarom jongens doorgaans een beter leven hadden dan meisjes in de middeleeuwen.

Naast het onnodig gebruik van een complexere zinsconstructie is een bijkomend en groter probleem dat het voldoende is om bij de eerste formulering ja of nee te antwoorden om juist te antwoorden.

  • Hieronder nog zo’n vraag die niet fout kan beantwoord worden:

Voorbeeld: Als jij in de middeleeuwen geboren was, zou jij dan een jongen of een meisje willen zijn?

  • Is alles voluit geschreven?
  • Geef restricties rond het verwachte antwoord. Geef via je lay-out of in de vraagstelling aan wat je verwachtingen zijn over de uitgebreidheid van het antwoord.

Voorbeeld: Hoe verschilde het leven van jongens i.v.m. dat van meisjes in de middeleeuwen?

Beter: Geef 3 verschilpunten tussen het leven van jongens en dat van meisjes in de middeleeuwen.

  • Zijn informatie en vraagstelling duidelijk gescheiden?
  • Beperk je tot de essentie. Contextinformatie die er weinig toe doet vraagt veel leeswerk van de studenten en leidt hen dus af.

Voorbeeld: De laatste koning van Rome, Tarquinius Superbus (= hoogmoedige), kon alleen door een heerschappij van de angst aan de macht blijven. Om de angstgevoelens zoveel mogelijk aan te wakkeren, oefende hij de rechtspraak uit zonder anderen daarbij te betrekken. Hij verminderde het aantal senatoren. Hij schafte de regel af dat de koning raad moest geven aan de senaat. De algemene haat tegen Tarquinius Superbus bereikte een hoogtepunt toen zijn zoon Sextus als gevolg van een uit de hand gelopen braspartij het vrome meisje Lucretia verkrachtte, de vrouw van zijn neef Collatinus. Wat is de naam van deze staatsvorm waarbij de koning ook willekeurig en eigenmachtig kon beslissen over oorlog en vrede en over het sluiten en opzeggen van verdragen en bondgenootschappen? Het volk en de senaat hadden daarin niets te zeggen.

Beter: De laatste koning van Rome, Tarquinius Superbus, bleef aan de macht door een heerschappij van angst. Zo oefende hij de rechtspraak uit zonder anderen daarbij te betrekken. Hij verminderde ook het aantal senatoren en schafte de regel af dat de koning raad moest geven aan de senaat. Willekeurig en eigenmachtig besliste hij over oorlog en vrede en over het sluiten en opzeggen van verdragen en bondgenootschappen.

Wat is de naam van deze staatsvorm?

  • Stel onafhankelijke vragen op. Wees er zeker van dat het antwoord op één van je vragen niet af te leiden is uit één van je andere vragen.

Voorbeeld: Wat is de naam van de laatste koning van Rome? 

  • Vermijd vragen die op een dubbelzinnige manier geïnterpreteerd kunnen worden en die dus zouden leiden tot diverse ‘juiste’ antwoorden.

Voorbeeld: De hoeveelste koning van België was koning Albert?

Beter: De hoeveelste koning van België was koning Albert I?

  • Stel enkelvoudige vragen. Splits samengestelde vragen op in éénduidige vragen. Samengestelde vragen bemoeilijken de leesmoeilijkheid en verhogen de onzekerheid bij studenten.

Voorbeeld: De hele 19de eeuw is één groot verzet geweest tegen de ‘geest van Wenen’. Deze oppositie was echter geen eenheidsfront. Men kan verschillende hoofdstromingen in dit verzet onderscheiden. Beschrijf de stromingen, de maatschappelijke groepen die erachter stonden en de doelstellingen die ze nastreefden. Geef een voorbeeld van een concrete succesvolle realisatie voor elk van deze stromingen.

Beter: De hele 19de eeuw is één groot verzet geweest tegen de ‘geest van Wenen’. Deze oppositie was echter geen eenheidsfront. Men kan verschillende hoofdstromingen in dit verzet onderscheiden.

    • Welke stromingen?
    • Welke maatschappelijke groepen stonden hierachter?
    • Welke doelstellingen streefden ze na?
    • Geef een voorbeeld van een concrete succesvolle realisatie voor elk van deze stromingen.
  • Met invulvragen dien je extra op te letten, omdat
    • Soms erg onduidelijk is bij sommige open ruimtes wat in te vullen, bijvoorbeeld doordat er te veel sleutelwoorden weggelaten worden.
    • Juiste antwoorden soms weggegeven worden door de lengte van het invulvak of door grammaticale aanduidingen.

Voorbeeld: De schrijvers van het Communistisch Manifest waren …………………………………. en ………………………………………..

Beter: Het Communistisch Manifest werd geschreven door…

  • Is gebruikt beeldmateriaal van goede kwaliteit?
  • Geef je voor elke vraag aan op hoeveel punten ze staat?

Meer weten

Teelen Kennismanagement (2011). Toetsontwikkeling in de praktijk. Hoe maak ik goede vragen en toetsen? Wilp: Teelen B.V.

Checklijst mondelinge en schriftelijke examens, Isabel Uitdebroeck & Sofie Boone

Meer info over het opstellen van een schriftelijk examen.

Betrouwbaarheid bij het evalueren van afsluitende toetsen

by teachlabadmin

Wat is het?

Een antwoordmodel voor afsluitende toetsen is meer dan het opstellen van een antwoordmodel voor competentiegerichte opdrachten door de complexe realiteit waarin de competenties worden beoordeeld.

Waarom belangrijk?

Streven naar een betrouwbare beoordeling op afsluitend niveau is belangrijk. Je wil namelijk startklare professionals op bachelor niveau afleveren aan het werkveld. Het is daarom belangrijk dat je toetst in welke mate studenten in staat zijn om met een volledige autonomie, een ruime mate van initiatief en in complexe en gespecialiseerde contexten hun competenties aan te wenden.

Hoe doen?

Je zal uiteraard een antwoordmodel opmaken in lijn met de antwoordmodellen voor competentiegerichte opdrachten  maar er moet meer gebeuren. Het beoordelen van gedrag in complexe, reële en diverse situaties vereist dat je aandacht hebt voor (a) je beoordelaars en hoe je hen ondersteunt in hun beoordelingsrol en (b) de manier waarop de beoordeling wordt aangepakt.

(A) De beoordelaars. Een afsluitende toets wordt door meerdere beoordelaars beoordeeld waarvan min. 1 iemand een werkveldvertegenwoordiger is. Deze beoordelaars zijn:

– Inhoudelijk deskundig zowel op theorie als de beroepspraktijk. De beoordelaars hebben een doorleefd beeld van wat in een bepaald beroep aan kennis en vaardigheden wordt verwacht. Het is belangrijk dat beoordelaars ‘de wereld achter de criteria’ kennen.

– onafhankelijk van elkaar. Idealiter hebben de beoordelaars een andere relatie met de student. Het verdient daarom de voorkeur om de rol van begeleider en beoordelaar te scheiden, dit vermindert de kans op beoordelaarseffecten.

(B) Normvinding. Het is cruciaal dat beoordelaars een ‘gedeelde norm’ hebben van het eindniveau en de criteria ook op deze manier kunnen interpreteren. Daarom is het belangrijk dat de diverse beoordelaars de gelegenheid krijgen om hun beoordelingen uit te wisselen om een gezamenlijke interpretatie en normering te bevorderen. Dit kan je doen door:

– Een training vooraf waarin (externe) beoordelaars vertrouwd worden gemaakt met het beoordelingsmodel en de indicatoren.

– Een kalibreersessie waarbij beoordelaars hun interpretatie van de criteria uitwisselen aan de hand van concrete voorbeelden die ze zien. Een tussentijds stagebezoek bv. waarbij het functioneren van de student wordt overlopen aan de hand van de criteria is hiervan een voorbeeld. Een intervisie ‘stage’ waarbij de stagelectoren het beoordelingsmodel bespreken is een ander voorbeeld. Een overleg na de presentatie van de bachelorproef is een ander voorbeeld.  Het is nodig om min. 1 keer per afsluitende toets een kalibreersessie te houden met de betrokken beoordelaars.

Meer weten over afsluitende toetsen?

Lees er meer over in onderstaande leidraad voor kwaliteitscriterium 7: Gerealiseerd eindniveau.

Leidraad Gerealiseerd eindniveau

Kok, M. & te Lintelo, L. (onbekend). Leidraad Eindniveau. Hogeschool van Amsterdam. https://score.hva.nl/Bronnen/Leidraad%20eindniveau%202014.pdf

Antwoordmodel voor praktische en competentiegerichte opdrachten

by teachlabadmin

Wat is het?

Een antwoordmodel ondersteunt lectoren in het betrouwbaar evalueren van studenten hun prestatie. In een antwoordmodel definieer je de kenmerken van een positieve evaluatie en geef je aan op welke manier je tot een eindscore komt. Een antwoordmodel wordt vaak ook een verbetersleutel, een rubric of een checklijst genoemd. Dit zijn allemaal voorbeelden van een antwoordmodel. In deze tip staan we stil bij antwoordmodellen voor praktische en competentiegerichte opdrachten. Deze zijn vaak een onderdeel voor volgende beoordelingsvormen: praktijkopdracht, gedragsassessment, casustoets, vaardigheidstoets, overall toets en criterium gericht interview.

Waarom belangrijk?

Een antwoordmodel vergroot de kans dat je tot eenzelfde beoordeling zou komen indien de beoordeling door een andere beoordelaar gebeurt of op een ander tijdstip. Een antwoordmodel is ook een ondersteuning wanneer je met meerdere lectoren moet beoordelen. Ook kan een antwoordmodel een belangrijke basis zijn voor de feedback die je geeft aan studenten.

Hoe doen?

Een antwoordmodel opstellen voor praktische opdrachten loopt lichtjes anders dan voor geschreven beoordelingsvormen. Vaak doorloop je volgende stappen:

(1) Waarop ga je evalueren? Waar ga je op letten?

Vertaal de leerdoelen naar gedragsindicatoren. Deze gedragsindicatoren zijn:

– Relevant: de indicatoren zijn herkenbaar voor studenten en collega lectoren uit de opleiding.

– Observeerbaar: de indicatoren zijn te observeren aan de hand van de producten die een student oplevert of de handelingen (bv. presentatie, verdediging, gedragsassessment, vaardigheidstoets) die hij uitvoert.

– specifiek: de indicatoren zijn voldoende richtinggevend voor examinatoren en begeleiders.

– eenduidig: de indicatoren zijn vaak beperkt tot één actief werkwoord per indicator.

– hanteerbaar: het aantal indicatoren is voor een beoordelaar praktisch hanteerbaar om in de gestelde tijd tot een oordeel en onderbouwing te komen.

Voorbeeld Reflectieopdracht (Context: lerarenopleiding)

Studenten reflecteren op de voorbije stageperiode en blikken vooruit op de toekomstige stageperiode.

Leerdoel: “De leerkracht kan zijn eigen functioneren in vraag stellen en bijsturen”

Gedragsindicatoren:

  • De student blikt terug op een concrete beroepssituatie en benoemt de positieve punten van zichzelf in relatie tot de centrale beroepscompetenties.
  • De student blikt terug op een concrete beroepssituatie en benoemt werkpunten voor zichzelf.
  • De student formuleert op basis van een concrete situatie kansen en bedreigingen voor de toekomst .
  • De student reflecteert op de noodzakelijke stappen voor de toekomst t.a.v. de centrale beroepscompetenties. De student formuleert eigen uitdagingen en verantwoordt dit op basis van brononderzoek.

(2) Op welke manier ga je deze indicatoren scoren?

Denk na over je beoordelingscriteria. De verschillende mogelijkheden op een rij met voor- en nadelen.

(A) Schaal. Iedere gedragsindicator wordt op een X-punten schaal gescoord, zie voorbeeld hieronder

Indicator Schaal
  Helemaal niet voldoende Niet voldoende Voldoende Helemaal voldoende
De student blikt terug op een concrete beroepssituatie en benoemt werkpunten voor zichzelf.   x    

Werken met schalen heeft als voordeel dat je relatief snel op een genuanceerde manier kijkt naar de gedragsindicatoren. Je gaat m.a.w. verder dat ‘aanwezig of niet aanwezig’ maar je geeft aan in welke mate deze indicator aanwezig is. Een groot nadeel van beoordelingsschalen is dat de categorieën en het verschil tussen deze categorieën vaak niet duidelijk is voor verschillende beoordelaars en voor de student.

(B) Rubric. Iedere categorie wordt geëxpliciteerd, verschillen worden verwoord.

Indicator Schaal
  Helemaal niet voldoende Niet voldoende Voldoende Helemaal voldoende
De student blikt terug op een concrete beroepssituatie en benoemt werkpunten voor zichzelf. Er wordt geen concrete beroepssituatie en werkpunten geformuleerd. Er wordt gereflecteerd op een concrete beroepssituatie maar er worden geen werkpunten aangehaald. Er wordt gereflecteerd op een concrete beroepssituatie en er zijn werkpunten geformuleerd. Deze werkpunten zijn concreet maar niet gebaseerd op een grondige analyse van oorzakelijke verbanden en mogelijke alternatieven in het professioneel handelen. De werkpunten zijn concreet geformuleerd en gebaseerd op een grondige analyse van oorzakelijke verbanden en mogelijke alternatieven in het professioneel handelen.

Een rubric is één van de meest effectieve instrumenten om betrouwbaar competenties te toetsen. Het opstellen van een rubric is echter een heel tijdsrovende klus en is vooral aan te raden voor het beoordelen van minder ‘tastbare’ aspecten zoals bv. attitudes, bij weinig gedragsindicatoren én bij afsluitende toetsen.

(C) Checklijst. Een checklijst wordt vaak gebruikt bij het beoordelen van werkstukken of presentaties waarbij het rap duidelijk is of de indicator aanwezig is of niet. Een checklijst controleert de aanwezigheid van relevante kenmerken of indicatoren, hoe meer elementen aanwezig, hoe beter te prestatie.

Indicator: De student blikt terug op een concrete beroepssituatie en benoemt de positieve punten van zichzelf in relatie tot de centrale beroepscompetenties.
1  werkpunt formuleren v
Oorzaken detecteren v
Verbanden vinden v
Alternatieve formuleren  
Reflectiemodel hanteren.  

Let op: bij de terugkoppeling naar de student is het belangrijk dat je de feedback persoonlijk maakt. Het is belangrijk dat je nog wat duiding kan geven aan de student, dit verhoogt de betrokkenheid.

(3) Hoe wegen de indicatoren door in de eindbeoordeling?

Expliciteer je weging. Ga je mathematisch te werk, werk je met diverse wegingen (bepaalde indicatoren wegen zwaarder door) of werk je met cesuur (waarbij bepaalde indicatoren voorwaardelijk zijn om te slagen).

Meer weten?

Via de volgende link kan je kant-en-klare rubrics opzoeken en eventueel fine-tunen naar wat jij nodig hebt.

Relevante blogtips

Meet wat je moet weten: kwaliteitsvolle Multiple Choice vragen

by teachlabadmin

Wat is het en waarom belangrijk?

Als je kwaliteitsvol wil toetsen denk je na over hoe je een opdracht of examen formuleert. Moeilijke zinsconstructies of dubbelzinnige vragen meten eerder het taalbegrip van studenten dan hun inhoudelijke kennis of competenties. Met een aantal simpele redactietips kan je jouw vraagstelling verscherpen en dus de betrouwbaarheid van je toets/opdracht verhogen.

Onderstaande tips hebben betrekking op multiple choice evaluatievormen.

Betrouwbaar toetsen: Verbeteren van multiple choice vragen

by teachlabadmin

Wat is het?

Een antwoordmodel ondersteunt lectoren in het betrouwbaar evalueren van studenten hun prestatie. In een antwoordmodel definieer je de kenmerken van een positieve evaluatie en geef je aan op welke manier je tot een eindscore komt. Een antwoordmodel wordt vaak ook een verbetersleutel, een rubric of een checklijst genoemd. Dit zijn allemaal voorbeelden van een antwoordmodel. In deze tip staan we stil bij antwoordmodellen voor multiple-choice beoordelingen.

Waarom belangrijk?

Een antwoordmodel ondersteunt een betrouwbare beoordeling. Dit wil zeggen dat een antwoordmodel de kans vergroot dat je tot eenzelfde beoordeling zou komen indien de beoordeling door een andere beoordelaar gebeurt of op een ander tijdstip.

Een antwoordmodel is ook een ondersteuning wanneer je met meerdere lectoren moet beoordelen. Ook kan een antwoordmodel een belangrijke basis zijn voor de feedback die je geeft aan studenten.

Hoe doen?

Bij MC-toetsen is het antwoord meestal rechtlijnig; het is fout of niet fout. Als lector kan je wel kiezen op welke manier je zal beoordelen. Deze keuze is afhankelijk van (a) het aantal antwoordalternatieven en (b) het aantal vragen. Een overzicht:

(1) Gis-correctie is een correctie voor het raden. Bij gis-correct ga je foute antwoorden ‘afstraffen’ door een negatieve score. Als student is het dus beter om soms een vraag over te laten i.p.v. te gokken. De gis-correctie die je doorvoert is afhankelijk van je aantal antwoordopties (n) en wordt berekend als volgt:

1/(n-1). Een vraag met 4 antwoordopties zal dus een gis-correctie hebben van 1/3. Dit betekent dat een foutief antwoord -1/3, een juist antwoord +1 en een leeg antwoord 0 is.

GIS-correctie is aan te raden bij:

– Twee antwoordopties (ja-nee vragen): De kans op juist gokken is dan namelijk heel groot

– Een erg klein aantal MC-vragen (< 10 items)

(2) Cesuur is een standaard-setting, hierbij ga je de standaard hoger leggen dan de helft. Cesuur is een manier om faalangst (die vaak gepaard gaat met gis-correctie) te ondervangen zonder dat ‘juist gokken’ wordt beloond. Bij cesuur wordt je namelijk niet afgestraft voor een foutief antwoord. Hoe hoog je de cesuur legt is afhankelijk van het aantal vragen in je toets (N) en  het aantal antwoordopties (n). Via onderstaande formule kan je jouw cesuur berekenen.

C= N(n+1)/2n 

Bv. De cesuur bij:

  • een examen met 25 vragen met telkens 4 antwoordopties: de cesuur ligt op 15 => ((25x (4+1))/2×4) . Dit betekent dat een student 15 moet halen om te slagen i.p.v. 12,5
  • een examen met 30 vragen met telkens 3 antwoordopties: de cesuur ligt op 20 => ((30 x (3+1)/2×3). Dit betekent dat een student 20 moet halen om te slagen i.p.v. 15.

Hoe wordt jouw uiteindelijk cijfer bij hoger e cesuur bepaald?

Het aantal vragen dat je goed hebt, wordt onder hogere cesuur nog verrekend naar het uiteindelijke cijfer. Als je de cesuur (bv. 25/40 vragen met 4 keuzemogelijkheden) haalt, krijg je uiteindelijk als cijfer 10/20. Als je geen enkele vraag goed hebt, komt dit overeen met een negatief cijfer dat naar 0 omgezet wordt en als je alle vragen goed hebt, krijg je het maximum van de punten of 20/20.

Voor de omrekening van het aantal goede antwoorden naar het uiteindelijke cijfer kan onderstaande formule gebruikt worden.

formule cesuur

Hierbij staat

y voor de ruwe score (nl. het aantal correcte antwoorden)

c voor de cesuur (bv. 25/40)

z voor het eindcijfer van de student

N voor het aantal vragen of m.a.w. de maximale score op het examen (bv. 40)

Betrouwbaar toetsen: antwoordmodel voor open vragen

by teachlabadmin

Wat is het?

Een antwoordmodel ondersteunt lectoren in het betrouwbaar evalueren van studenten. In een antwoordmodel definieer je de kenmerken van een positieve evaluatie en geef je aan op welke manier je tot een eindscore komt. Een antwoordmodel wordt vaak ook een verbetersleutel, een rubric of een checklijst genoemd. Dit zijn allemaal voorbeelden van een antwoordmodel. In deze tip staan we stil bij antwoordmodellen voor open-vraag beoordelingen. Dit komt vaak voor in een kennistoets of casustoets.

Waarom belangrijk?

Een antwoordmodel vergroot de kans dat je tot eenzelfde beoordeling zou komen indien de beoordeling door een andere beoordelaar gebeurt of op een ander tijdstip. Een antwoordmodel is ook een ondersteuning wanneer je met meerdere lectoren moet beoordelen. Ook kan een antwoordmodel een belangrijke basis zijn voor de feedback die je geeft aan studenten.

Hoe doen?

Een antwoordmodel voor open vragen is vaak niet te herleiden tot ‘goed/fout’.

(1) Een antwoordmodel voor open vragen bestaat uit een oplijsting van volgende elementen:

– de essentiële aspecten die in het antwoord moeten zitten.

– de belangrijke aanvullingen

– welke informatie zinvol of relevant kan zijn.

(2) Een antwoordmodel specifieert ook hoe deze elementen gescoord zullen worden.

(3) Indien vragen voortvloeien uit elkaar, leg ook vast op welke manier je met doorreken- of redeneerfouten omgaat. Stel dat vraag 1 en 2 met elkaar verband houden: impliceert een ‘rekenfout’ op de eerste vraag automatisch een nul voor de tweede vraag of neem je die rekenfout mee in het beoordelen van de tweede vraag? Doorrekenfouten zijn vaak het geval bij casustoetsen waarbij één casus centraal staat voor een reeks aan (verband houdende) vragen.

(4) Eenvoudige tips om je betrouwbaarheid verder te verhogen tijdens het verbeteren.

– Verbeter de antwoorden per vraag i.p.v. per student.

– Laat jouw examens verbeteren door jouw parallel collega en vice versa.

 

Voorbeelden van antwoordsleutels

Voorbeeld 1 ‘Vraag met meerdere antwoorden’ (Context: Lerarenopleiding)

Schrijf een lessuggestie (lesverloop en lesinhoud) bij het volgende onderwerp voor het eerste leerjaar(Inhoud van de les: waarnemen van het weer): “Ik weet welk weer het is!” (4p)

Antwoordmodel:

Essentiële elementen 0/4 ¼ 2/4 ¾ 4/4
Lesverloop Geen lesstructuur Inleiding of slot ontbreekt Structuur werd toegepast Gestructureerd lesverloop Gestructureerd lesverloop
Aanbieden kinderen Eenmalige les Eenmalige les Regelmatig aanbod

Leerlingen nemen waar

Regelmatig aanbod

Leerlingen nemen waar

Leerlingen verwoorden correct.

Regelmatig aanbod

Leerlingen nemen waar

Leerlingen verwoorden correct

Leerlingen gebruiken symbolen.

Lesinhoud Geen correcte lesinhoud Correcte lesinhoud Correcte lesinhoud Correcte lesinhoud Correcte lesinhoud

 

Voorbeeld 2 (Context: management)

“De ‘country-club’ leiderschapsstijl is geïdentificeerd door Blake en Mouton. Geef aan de hand van een eigen voorbeeld aan wat dat impliceert (op 5 punten)”

Antwoordmodel:

Essentiële elementen: het voorbeeld illustreert dat het om een werknemersgerichte leiderschapsstijl gaat. (3 punten)

Belangrijke aanvullingen:

– via sociale relaties die de goede werksfeer ten goede komen (1punt)

Aanvullend (telkens 0.5 punten)

– creëren van aangename en stimulerende omstandigheden

– waardering, aanmoediging en beloning

 

Voorbeeld 3 (context: lerarenopleiding basisonderwijs)

“Tijdens een les over het landschap toon je volgende foto. Je leert hen aan de hand van deze foto de elementen van het landschap en het landschap te beschrijven. Welke vragen of opdrachten kan je geven aan kinderen uit de derde graad bij het gegeven beeld (maak gebruik van de geografische vierslag)? Noteer de vragen in een logische volgorde. (10p)”

landschap

Antwoordmodel:

1/5 2/5 3/5 4/5 5/5
Leerinhoud

 

 

Student heeft het zowel over reliëfelementen als landschapselementen in de vragen Student vraagt naar de verschillende landschapselementen in de vragen/opdrachten Student vraagt naar de verschillende landschapselementen en laat de elementen in twee groepen (natuurlijk en menselijke) indelen Student vraagt naar de verschillende landschapselementen en geeft vragen/opdrachten waaruit af te leiden valt dat er natuurlijke landschapselementen en menselijke landschapselementen aanwezig zijn in dit landschap. Uit de vraagstelling kunnen kinderen komen tot de vaststelling dat er meer menselijke dan natuurlijke elementen aanwezig zijn en dat dit dus een cultuurlandschap is. Student vraagt naar de verschillende landschapselementen en geeft vragen/opdrachten waaruit af te leiden valt dat er natuurlijke landschapselementen en menselijke landschapselementen aanwezig zijn in dit landschap. Uit de vraagstelling kunnen kinderen komen tot de vaststelling dat er meer menselijke dan natuurlijke elementen aanwezig zijn en dat dit dus een cultuurlandschap is.

Daarenboven worden er vragen/opdrachten genoteerd waarbij de kinderen tot de conclusie komen dat dit een ‘landelijk landschap’ is (met behulp van determinatietabel).

Opbouw vragen

 

Geografische vierslag:

1/ Waarnemen en beschrijven

2/ verklaren

3/ Herkennen en toepassen

4/ Waarderen

De student noteert algemene vragen van de geografische vierslag, zonder toepassing op de leerinhoud en niet in correcte volgorde De student noteert algemene vragen van de geografische vierslag, zonder toepassing op de leerinhoud en in correcte volgorde Student maakt gebruik van de geografische vierslag, ongeveer de helft van de vragen zijn hierbij toegepast op de leerinhoud, niet noodzakelijk in correcte volgorde Student maakt gebruik van de geografische vierslag, toegepast op de leerinhoud, maar niet in de correcte volgorde Student maakt gebruik van geografische vierslag in juiste volgorde en op een correcte manier, toegepast op de leerinhoud

 

Richtlijnen voor een heldere opdrachtomschrijving

Wat?

Opdat studenten een opdracht goed en volledig kunnen uitvoeren, is het belangrijk dat lectoren hun opdracht helder uitschrijven. Daartoe bestaat de checklist Richtlijnen voor richtlijnen, die aangeeft welke onderdelen een volledige opdrachtomschrijving heeft.

Waarom?

Transparantie en duidelijkheid zijn belangrijk om ervoor te zorgen dat studenten de opdracht uitvoeren zoals je als lector hebt beoogd. Je vermijdt bovendien achterafvragen van studenten zoals Wat zijn de vereiste onderdelen van de opdracht? Hoe lang moet die opdracht zijn? Hoe evalueert de docent de opdracht? Waarom is de opdracht belangrijk in mijn opleiding? …

Hoe?

Hanteer de checklist “Richtlijnen voor richtlijnen” om je opdracht op te stellen, na te lezen of te laten nalezen. Een voorbeeld met duidelijke richtlijnen vinden jullie hier.

Tips

Zorg ervoor dat de volgende elementen opgenomen worden in de opdrachtinstructie:

  • de doelstellingen van de opdracht;
  • een te volgen methode of stappenplan;
  • de voorziene begeleiding;
  • de te verwachten feedbackprocedure;
  • de vormelijke aspecten van het eindproduct;
  • de deadline(s);
  • de evaluatiecriteria.

 Bron:

Peeters, E. & T. Van Houtven (2013). Schrijfvaardigheid in het hoger onderwijs. Praktische handleiding voor krachtig schrijfvaardigheidsonderwijs in de instroomfase. Leuven: Acco.